FYSISCH MILIEU
  U bent hier: Home - Fysisch milieu - Landschaphistorische ontwikkeling van de kust NL | FR | DE | EN
  Home Zoeken Site Map Contact
 


© 2010 www.kustatlas.be | FAQ
Een initiatief van het Coördinatiepunt Duurzaam Kustbeheer


(naar Prof. C. Baeteman)


Benaderende schematische voorstelling van de kustvlakte in de Romeinse periode
(naar H. Thoen, ed., 1983)
Benaderende schematische voorstelling van de kustvlakte in de Romeinse periode
» Benaderende schematische voorstelling van de kustvlakte in de Romeinse periode
Vergroot  Download (PDF, 866 kB)


» Ongeveer 10.000 jaar geleden: De Noordzee bereikt onze streken, die vanaf dan onder invloed komen te staan van de getijden. De ontstaansgeschiedenis van de kustvlakte wordt gekenmerkt door voortdurende verschuivingen van verschillende afzettingsmilieus, zoals getijdengeulen, slik, schor.

» Bijna 9.500 jaar geleden: Het zeeniveau stijgt, waardoor ook de grondwaterspiegel verhoogt. Er ontstaat een zoetwatermoeras waarin veen accumuleert. In het laagstgelegen gedeelte van het toenmalige landschap ontwikkelt zich bovenop het veen een getijdengebied.
Gedurende zo'n 2.000 jaar blijft de zeespiegel stijgen met een snelheid van 7 meter/1.000 jaar, wat leidt tot een aanzienlijke opvulling met zand en klei. Tegelijkertijd breidt het getijdengebied zich vlug landinwaarts uit.


» Holocene evolutie van de westelijke kustvlakte
(naar Prof. C. Baeteman) (POP-UP)


» Rond 7.500-7.000 jaar geleden: Door een opmerkelijke vertraging van de zeespiegelstijging (2,5 meter/1.000 jaar) raken delen van het wad voldoende hoog opgeslibd, waardoor deze minder vaak overstroomd raken. Er worden zoetwatermoerassen gevormd waarin zich veen kan ontwikkelen. Getijdengeulen verschuiven voortdurend.
Omstreeks 5.500-5.000 jaar geleden doet zich een tweede vertraging van de zeespiegelstijging voor (0,7 meter/1.000 jaar) waardoor het veen kan blijven groeien en accumuleren. De rietvegetatie die ontstaat ontwikkelt zich tot een uitgestrekt kustveenmoeras, dat ongeveer 4.200 jaar geleden de gehele toenmalige kustvlakte bedekte.

» In de periode rond 2.500-2.000 jaar geleden: De veengroei eindigt rond 2300 jaar geleden, als het getij terug de vlakte binnenkomt via de opengebleven getijdengeulen. Deze waren tijdens de veengroei opgevuld geraakt, maar worden opnieuw uitgeschuurd door een verhoogde neerslagafvoer vanaf het hoger liggend hinterland (veroorzaakt door een klimaatswijziging en ontbossing). Eenmaal de getijdengeulen weer grotendeels vrij van sediment, heeft het getij vrij spel om terug binnen te dringen en wordt het veen aan de randen van de geulen weggeslagen.

Deze erosie resulteert in een ontwatering van het veengebied, waardoor het oppervlak in een korte tijdsspanne aanzienlijk daalt (1 à 1.5 m) en opnieuw opgevuld raakt met sedimenten: er ontstaat opnieuw een wad. Omstreeks 1500 jaar geleden kwam de veengroei ook in de meest landwaarts gelegen gebieden van de vlakte definitief tot een einde.
  Het is niet uitgesloten dat in de Romeinse periode ook menselijke activiteiten (zoals drainage van het veengebied voor betere toegankelijkheid, of het veendelven voor zoutwinning) bijdragen tot de verlaging van het maaiveld.

» Na de Romeinse periode: De kustvlakte verlandt, de geulen worden opgevuld tot het oppervlak weer in evenwicht is met het zeeniveau, en het grootste deel van het gebied evolueert tot schorre. Alhoewel de kustlijn ondertussen begint terug te schrijden en grote stukken zeewaarts gelegen gebieden eroderen, komen grote delen van de schorre buiten het bereik van de getijden te liggen, zelfs bij springvloed. Daardoor gaat het gebied stilaan verzoeten en wordt de schorre-vegetatie geleidelijk aan vervangen door zoetwatervegetatie. De hoger gelegeden delen worden zoutweiden.

» Vanaf de 10de eeuw: De eerste cultuurnamen en indijkingen komen tot stand. De zoutweiden worden in gebruik genomen voor schapenteelt, gevolgd door een eerste bewoning. Omdat het gebied toch nog enkele keren per jaar bij extreem hoogwater kan overspoeld worden, hoogt de mens zijn bewoning op en worden dijken aangelegd.

Deze "oude zeedijken" zijn niet zeer hoog en meestal loodrecht op de kustlijn, het water komt immers via de geulen binnen. Het zijn dus helemaal geen zeeweringsdijken, maar hun aanleg moet vermijden dat het land nog wordt overspoeld door extreme hoge vloeden.

Doordat de mens het ingedijkte gebied steeds verder ontwatert door het graven van sloten gaat de wadklei inklinken met een verlaging van het oppervlak tot gevolg. In het niet-ingedijkte gebied blijft de afzetting van sedimenten echter doorgaan en verhoogt het oppervlak steeds verder.

Deze opvulling van de getijdegeulen en het steeds verder indijken ervan hebben tot gevolg dat met hevige storm het waterniveau in de geulen extreem hoog komt te liggen, wat tot catastrofale overstromingen leidt wanneer een dijk doorbreekt. Deze overstromingen blijven echter vrij lokaal en beperkt tot de gebieden rond de opengebleven geulen.

Sindsdien is men systematisch gaan indijken en zet de mens de natuur steeds meer naar zijn hand. Inpolderingen, bedijkingen, rechttrekkingen, baggerwerken en oeververdedigingswerken geven de kustvlakte zijn huidige uitzicht en vorm.