|
|
|

|
Het op en neer bewegende wateroppervlak veroorzaakt belangrijke getijdenstromingen met dezelfde periodiciteit als het getij. De vloedstroom heeft dezelfde richting als de getijdengolf, de ebstroom is tegengesteld. In de nabijheid van de kust lopen vloed- en ebstroom meestal evenwijdig met de kust. Bij hoog- en laagwater zijn de stromingen evenwijdig met de kust het grootst. Bij springtij kan de vloedstroom aan de havenmond te Zeebrugge een snelheid bereiken van 2 m/s.
In volle zee vallen de kenteringen (de overgang van vloedstroom naar ebstroom en omgekeerd, waarbij de stroming tijdelijke nagenoeg stilvalt) ongeveer samen met de halftijhoogte.
|
|
|